Lees meer over dit woord
die Bank
Een financiële instelling waar men geld kan sparen, lenen of wisselen. Het woord kan in het Nederlands ook verwijzen naar een meubelstuk om op te zitten.
Voorbeelden in context
Die Bank schließt heute schon um sechzehn Uhr.
De bank sluit vandaag al om zestien uur.
Ich muss morgen zur Bank gehen.
Ik moet morgen naar de bank gaan.
Ontdek meer Duitse stapels
💬 Word tweetalig met onze lerares Umi
Umi corrigeert je uitspraak en grammatica, en leert je op een natuurlijke manier te antwoorden.